Hoe zit het met de seriekeuring van speeltoestellen uit een andere EU-lidstaat?

Een Nederlandse importeur wil een speeltoestel van een fabrikant uit een andere EU-lidstaat op de Nederlandse markt brengen. Dat kan bijvoorbeeld ook een Nederlandse fabrikant zijn die toestellen of toesteltypen van een buitenlandse producent aan zijn assortiment toevoegt. Het toestel is in het land van herkomst al onderzocht en er is een certificaat van een buitenlandse keuringsinstantie beschikbaar.

Moet een Nederlandse aangewezen keuringsinstelling (AKI) dan alles opnieuw doen? En kan zo’n buitenlands certificaat eenvoudig worden ‘omgezet’ in een Nederlands certificaat van goedkeuring?

In de praktijk bestaan hierover regelmatig misverstanden.

Het uitgangspunt: beoordeling door een Nederlandse AKI

Het uitgangspunt van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023 (WAS2023) is dat een speeltoestel vóór ingebruikname of verhandeling in Nederland moet worden gekeurd door een instelling die daarvoor in Nederland is aangewezen: een AKI.

Voor een seriekeuring moet daarbij het volledige technisch constructiedossier (TCD), overeenkomstig bijlage 2 van het WAS2023, worden ingediend. De AKI beoordeelt zowel het TCD als het typekenmerkende monster.

Dat is wezenlijk iets anders dan het administratief ‘omzetten’ van een bestaand buitenlands certificaat. De AKI moet zelf een beoordeling uitvoeren voordat zij een Nederlands certificaat van goedkeuring kan afgeven.

Een buitenlands certificaat is niet automatisch geldig in Nederland

Een certificaat dat is afgegeven door een keuringsinstantie in bijvoorbeeld Duitsland, Tsjechië of Frankrijk is op zichzelf geen Nederlands certificaat van goedkeuring.

Het feit dat het toestel in het buitenland al is gekeurd of gecertificeerd, betekent dus niet dat het daarmee automatisch in Nederland is goedgekeurd. Een AKI kan een buitenlands certificaat ook niet zonder inhoudelijke beoordeling ‘omzetten’ in een Nederlands certificaat.

Hierop bestaan uitzonderingen voor bepaalde oudere certificaten die in Nederland zijn gelijkgesteld. Buiten die gevallen geldt het reguliere beoordelingskader van het WAS.

Geaccrediteerde keuringsinstantie? Kijk verder dan het logo

Een tweede misverstand betreft accreditatie. Een buitenlandse keuringsinstantie kan beschikken over een accreditatie. Dat betekent echter niet dat ieder onderzoek dat zij uitvoert en ieder certificaat of rapport dat zij afgeeft automatisch onder accreditatie is uitgevoerd. Ook moet de accreditatie specifiek betrekking hebben op speeltoestellen.

Daarvoor moet worden gekeken naar de scope van de accreditatie én naar het betreffende document. Op het rapport of certificaat moet een verwijzing naar de accreditatie staan waaruit blijkt dat het betreffende onderzoek onder accreditatie is uitgevoerd.

De enkele mededeling dat “de buitenlandse keuringsinstantie geaccrediteerd is” zegt daarom onvoldoende.

Alleen het certificaat vertelt vaak niet genoeg

Ook wanneer een certificaat onder accreditatie is afgegeven, moet duidelijk zijn wat het certificaat precies bewijst.

Voor de beoordeling door de AKI moet onder meer kunnen worden vastgesteld welk toestel is onderzocht, welk onderzoek is uitgevoerd, wat de scope van dat onderzoek was en wat het resultaat daarvan is.

Een certificaat bevat daarvoor lang niet altijd voldoende informatie. Het kan bijvoorbeeld vermelden dat een bepaald toestel aan een norm voldoet, zonder dat voldoende duidelijk is welke uitvoering of configuratie is onderzocht en welke onderdelen daadwerkelijk in de beoordeling zijn betrokken.

Daarom kan het noodzakelijk zijn dat ook het onderliggende keurings- of testrapport aan de AKI wordt verstrekt. De AKI moet immers kunnen vaststellen wat daadwerkelijk is onderzocht en welke betekenis aan de resultaten kan worden toegekend.

En hoe zit het dan met wederzijdse erkenning?

Binnen de Europese Unie geldt het beginsel van het vrije verkeer van goederen. Voor goederen die in een andere EU-lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, is Verordening (EU) 2019/515 inzake wederzijdse erkenning van goederen van belang.

Deze verordening kan relevant zijn wanneer een speeltoestel al rechtmatig in een andere lidstaat in de handel is gebracht en vervolgens ook in Nederland op de markt wordt gebracht.

Maar ook hier geldt: een buitenlands certificaat is niet automatisch voldoende.

De marktdeelnemer, vaak de fabrikant of importeur, die zich op wederzijdse erkenning beroept, zal aannemelijk moeten maken dat aan de voorwaarden van de verordening is voldaan. In het bijzonder moet kunnen worden aangetoond dat het betreffende toestel rechtmatig in een andere EU-lidstaat in de handel is gebracht.

Dat is iets anders dan aantonen dat een buitenlands keuringsinstituut ooit een certificaat voor het toestel heeft afgegeven.

Eerder onderzoek kan wél van betekenis zijn

Wederzijdse erkenning betekent evenmin dat de AKI geen Nederlandse beoordeling meer hoeft uit te voeren. Het kan er onder de daarvoor geldende voorwaarden wel toe leiden dat bepaalde onderzoeken niet opnieuw hoeven te worden uitgevoerd.

Daarvoor moet de AKI kunnen beoordelen of het eerdere onderzoek daadwerkelijk betrekking heeft op het betreffende toestel en bruikbaar is voor het onderdeel dat moet worden beoordeeld. Juist daarom zijn het buitenlandse certificaat, de scope van het onderzoek, de accreditatiestatus en vaak ook de onderliggende rapportages van belang.

Het onderscheid is dus belangrijk:

de Nederlandse keuring vervalt niet zonder meer, maar binnen die beoordeling kan eerder uitgevoerd onderzoek onder voorwaarden worden benut.

Geen ‘omzetting’, maar een nieuwe beoordeling met bestaande informatie

De term ‘omzetten van een buitenlands certificaat’ geeft daarom een verkeerd beeld van wat er gebeurt.

De AKI neemt niet simpelweg het oordeel van de buitenlandse keuringsinstantie over en vervangt het buitenlandse certificaat door een Nederlands exemplaar. Zij voert de voor Nederland vereiste beoordeling uit. Daarbij kan zij, waar dat juridisch en technisch mogelijk is, gebruikmaken van relevante resultaten van eerder uitgevoerd onderzoek.

Voor Nederlandse importeurs, handelaren en fabrikanten die speeltoestellen van producenten uit andere EU-lidstaten op de Nederlandse markt willen brengen, is het daarom verstandig om méér op te vragen dan alleen het buitenlandse certificaat. Zorg dat het volledige TCD beschikbaar is en vraag ook naar de onderliggende keurings- en testrapporten, de scope van het uitgevoerde onderzoek en informatie over de accreditatie waaronder dat onderzoek is uitgevoerd.

En wanneer een beroep wordt gedaan op Verordening (EU) 2019/515, moet daarnaast kunnen worden onderbouwd dat het toestel daadwerkelijk rechtmatig in een andere EU-lidstaat in de handel is gebracht.

Kortom: een buitenlands certificaat kan waardevolle informatie bevatten, maar is geen Nederlands certificaat van goedkeuring. Van simpel ‘omzetten’ is geen sprake. De AKI moet haar eigen beoordeling kunnen uitvoeren – en daarvoor is vaak aanzienlijk meer nodig dan alleen het buitenlandse certificaat.